Geloof me: jureren is niet alleen een inspannende, maar ook een spannende en verrijkende ervaring. Al helemaal bij de Lavki-prijs, waar niet- zoals gebruikelijk- de boeken uit één jaar in competitie komen, maar wel die uit vijf jaar. Met een arendsblik kon de jury speuren naar de beste Vlaamse jeugdroman uit het aanbod van 103 boeken uit de jaren 2021-2025. Uit dat aanbod wisten de juryleden vlot tien toppers te selecteren voor de longlist:
![]() |
|
Na een eerste ronde bleven uit de tien toppers nog vijf boeken over. Twee daarvan sneuvelden in een tweede ronde. Omdat ze toch de tweede rond haalden, worden ze hieronder kort toegelicht.
Onder de brug van Evelien de Vlieger bevat een boeiende mix van thrillerachtige spanning en psychologische verdieping. De Vlieger legt vanuit verschillende perspectieven een intrigerende puzzel rond de 17-jarige Jowi, die zwaargewond onder een brug gevonden werd. Ze typeert de vriendenkring rond Jowi met een sterk inlevingsvermogen,met aandacht voor ieders worsteling met het gebeuren en met zichzelf . In de typering van de volwassen personages en de uitwerking van de plot kan De Vlieger wel nog groeien. De levensechte dialogen en de spitse zinnen waarmee ze de personages en hun gevoelens typeert, tillen het verhaal echter op.
Herman van de Wijdevens Julia en mijn broer en ik zindert als de bloedhete zomer waarin het verhaal speelt.
Dat het verhaal ook blijft nazinderen, komt op de eerste plaats door de ingenieus gecomponeerde plot, al zijn niet alle wendingen voldoende onderbouwd,
het verhaal bij momenten aan geloofwaardigheid verliest. Toch blijf je in de ban van de personages dankzij Van de Wijdevens trefzekere, beeldrijke en zeer betrokken schrijfstijl. Luister maar hoe hij de spanning tussen Jakob en zijn broer in één blik samenbalt:
"Mijn blik en die van Esse knallen boven de tafel zo hard op elkaar, dat het vreemd is dat het geen lawaai maakt."
Toeval of niet, de drie boeken die de laatste ronde haalden, zijn alle drie historische romans.
Een genre met een ijzersterke traditie in de Vlaamse jeugdliteratuur.
De rest van ons leven van Els Beerten bevat twee "geschiedenissen". Het verhaal van Fredo Santoro, en dat van de kleine Vito, de zoon van Fred's vriend Luigi. Beide verhalen laten je
als lezer de impact voelen van ingrijpende gebeurtenissen als oorlog en migratie op het leven én de weerbaarheid en veerkracht van de mens. Bijzonder knap is hoe Beerten haar
taal weet aan te passen aan zowel het volwassen register van Fredo als aan de kinderlijke kijk op de wereld van Vito. Dat je met beiden zo sterk meeleeft, komt beslist ook door
Beertens rijke, zeer lichamelijke en suggestieve stijl. Een stijl waarmee ze je ook geregeld aan het denken zet:
"Misschien is doorgaan minder ingewikkeld dat we geneigd zijn te denken.
Op een gegeven moment went het zo, dat we er niet meer bij stilstaan dat het leven haast niets anders is.
En is dat gelukkig zijn. Niet meer beseffen dat we alweer doorgaan. Is gelukkig zijn veel minder spectaculair dan we denken."
De grote uitdaging voor de auteur van een historische roman is de lezer terug katapulteren naar een andere tijd. Met Onheilsdochter slaagt Jean-Claude van Rijckeghem daar met brio
in.
Op een subtiele manier weeft hij historische informatie door het verhaal.
De vele details en de plastische, beeldrijke taal zorgen voor een overtuigende setting, je ziet het Vikingdorp voor je:
"Het lijkt wel alsof de huizen, met hun mossige daken en ordeloze opstelling, als waterdieren uit de rivier zijn gekropen en op de zachte helling een plekje in de zon hebben
gezocht."
Dat je in het verhaal kunt wegduiken is ook te danken aan de sterke karaktertekening, waardoor je als lezer intens meeleeft met de personages.
Zoals in zijn vorige romans zijn de hoofdfiguren sterke, jonge vrouwen die hun eigen lot in handen nemen: de Vikingsdochter Ysra, een bastaardkind met een beperking en de Gentse Job, die
door de Vikings uit een klooster geschaakt werd. De twee personages bieden de auteur de kans om twee wereldbeelden tegenover elkaar te plaatsen, waarbij Ysra en Job een groeiend
respect en begrip voor elkaar ontwikkelen, eigenschappen die ook in onze tijd van groot belang zijn.
Hoe kun je de gruwel van een oorlog onder woorden brengen zonder in sensatie of cliché s te vervallen?
Aline Sax giet haar verhaal over de Tweede Wereldoorlog in poëtisch proza.
De keuze voor een roman in verzen is een waagstuk, maar werkt bijzonder krachtig. Niet alleen dwingt de versvorm haar om elk woord zorgvuldig te kiezen, maar ook het wit tussen de
woorden is functioneel: het biedt de lezers de kans om aan te vullen wat niet gezegd kan worden. De korte, ritmische zinnen werken als mokerslagen die de gruwel van de oorlog als
het ware naar binnen hameren. Zeker in deze tijd met toenemende conflicten, krijgen de beelden die Aline Sax oproept een pijnlijk herkenbare invulling. De opsomming van wat de
vluchtende mensen meezeulen, brandt zich op je netvlies, met slotregels die zich in je geheugen griffen:
Hebben en houden
bij elkaar geraapt.
Een leven achtergelaten.
Weggejaagd,
voortgedreven.
Niet alleen de poëtische vorm is gedurfd, ook het gekozen perspectief is dat: de auteur legt het verhaal in de mond van een zeventienjarig Duits meisje tijdens de laatste dagen van de
oorlog. Die keuze om het verhaal te vertellen vanuit het standpunt van de verliezers is niet alleen gedurfd, maar ook bijzonder zinvol in dit tijdsgewricht vol oorlogsretoriek. We kunnen
er niet genoeg aan herinnerd worden dat in elke oorlog de gewone mensen de grootste verliezers zijn, bij alle partijen.
Aline Sax laat overtuigend zien hoe je iets schier onzegbaar als de gruwel van een oorlog toch onder woorden kan brengen, met een dergelijke poëtische intensiteit dat het verhaal een
onuitwisbare indruk nalaat. Daarom kent de jury unaniem de Lavki-prijs 2026 toe aan haar roman Wat ons nog rest.